PERSBERICHT: Reprobel wins national lawsuit against HP Belgium before the court of appeal of BrusselsLEES MEER

English version

Hof van Beroep van Brussel geeft Reprobel gelijk in rechtsgeding met Hewlett Packard Belgium

Op 12 november 2015 velde het Hof van Justitie van de EU zijn arrest in de zaak Hewlett Packard Belgium / Reprobel (C-572/13). Dat arrest kreeg ruime aandacht in de pers. Vorige vrijdag (12 mei) sprak het hof van beroep in Brussel zich ten gronde uit in deze zaak in het licht van het arrest van het HvJ EU. Het hof van beroep geeft Reprobel over nagenoeg de gehele lijn gelijk. Auteurs en uitgevers verwelkomen het arrest van het hof van beroep.

Even terugspoelen naar de late herst van 2015. Na het oordeel van de Europese rechters in Luxemburg klonk het bij de importeurs van kopieer- en multifunctionele apparaten nagenoeg unisono dat de Belgische reprografieregeling in strijd was met het Europese recht. In navolging van HP Belgium zelf stopten de meeste importeurs na verloop van tijd met de maandelijkse aangifte van de geïmporteerde toestellen bij Reprobel en/of met de afdracht van de daarover verschuldigde reprografievergoedingen.

Reprobel is al die tijd blijven verdedigen dat de houding van de importeurs in strijd was met de wet.  Het hof van beroep van Brussel geeft Reprobel nu gelijk.

Het hof bevestigt zonder meer dat de vergoeding van de uitgevers rechtmatig is en de eigen compensatie van de auteurs niet aantast. Hetzelfde geldt voor het criterium van de (objectieve) snelheid als tariefbasis voor de vergoeding. Ook acht het hof de vergoeding voldoende gemoduleerd in functie van het type gebruiker (privé of professioneel), en is het verder van het oordeel dat de Belgische regeling richtlijnconform kan worden geïnterpreteerd wat de reproducties van bladmuziek en de reproducties uit een illegale bron betreft.

De enige schending van het Europese recht die het hof van beroep vaststelt , is dat professionele gebruikers zowel een apparatenvergoeding als een vergoeding voor de fotokopieën moesten betalen terwijl er geen terugbetalingsmechanisme bestond. Omdat de relevante bepalingen van de achterliggende Europese Richtlijn 2001/29 niet duidelijk, precies en onvoorwaardelijk zijn, missen ze echter elke rechtstreekse werking. Die bepalingen kunnen het buiten toepassing verklaren van het (oude) Belgische recht inzake reprografie dan ook niet rechtvaardigen.

Het arrest veroordeelt HP Belgium tot het betalen van 1 EUR provisioneel aan Reprobel, en stelt een gerechtsdeskundige aan met als opdracht om (op basis van een ISO-norm) de objectieve snelheid te bepalen van alle apparaten die HP sinds eind 2002 op de Belgische markt heeft gebracht.

Auteurs en uitgevers verwelkomen dit arrest.  Ze hopen dat HP en de andere betrokken importeurs spoedig met Reprobel rond de tafel zitten om het verleden te regelen, in gezamelijk overleg en met wederzijds respect.

Perscontact Reprobel:

Kurt Van Damme, adjunct-algemeen directeur / hoofd van de juridische dienst, mobiel: (0479) 58 66 35, mail: kvandamme@reprobel.be.

Gezamenlijke mailing Copiepresse - License2Publish - RepropressLEES MEER

Heeft u de gezamenlijke mailing Copiepresse - License2Publish - Repropress ontvangen en wenst u het formulier op papier in te vullen?

Download hier het aangifteformulier en hier in geval u een Public Relations onderneming bent.

Wetsontwerp inzake de reprografie en onderwijsuitzondering aangenomen in de KamerLEES MEER

Groot-Bijgaarden, 27 december 2016

Op donderdag 15 december 2016 werd het  wetsontwerp tot wijziging van sommige bepalingen van boek XI van het economisch recht aangenomen in de plenaire vergadering van de Kamer. Dit wetsontwerp legt de nieuwe regels vast inzake de reprografie en onderwijsuitzondering. Het wetsontwerp zal nu ter bekrachtiging aan de Koning worden voorgelegd die de inwerkingtreding van de wet verder zal bepalen.

De belangrijkste principes van het wetsontwerp zijn:

 

-Een eigen vergoedingsrecht voor uitgevers voor fotokopies

 

Het wetsontwerp kent de uitgevers een eigen recht op vergoeding toe ter compensatie van de schade die door het fotokopiëren wordt berokkend aan de hun geleverde investeringen in de privé- en publieke sector. Conform het arrest van het Hof van Justitie van 12 november 2015 zal dit eigen recht van de uitgevers geen negatieve invloed hebben op de compensatie van de schade geleden door de auteurs.

 

-De afschaffing van de vergoeding die wordt geheven op apparaten

 

Wanneer een fotokopie wordt gemaakt van een auteursrechtelijk beschermd werk door een professionele eindgebruiker is voortaan enkel nog maar de vergoeding verschuldigd die wordt bepaald in functie van het aantal reproducties van de beschermde werken. De vergoeding die geheven wordt op apparaten wordt dus volledig afgeschaft.

 

-Alle reproducties in familiekring voortaan onder uitzondering voor privékopie

 

Fotokopies die thuis worden gemaakt vallen voortaan onder het systeem van de uitzondering voor thuiskopie.

 

-Parallellisme uitzondering en vergoeding voor de uitzondering

 

De uitzonderingen voor reprografie en privékopie mogen volgens het Hof van Justitie geen illegale reproducties toelaten. De vergoeding voor reprografie kan slechts die schade compenseren die wordt veroorzaakt door reproducties die onder de uitzondering voor reprografie vallen. Illegale kopieën mogen dus geen deel uitmaken van de berekeningsbasis van deze vergoeding.

 

-Eén enkele vergoeding voor alle uitzonderingen ten gunste van het onderwijs

 

Er wordt één enkele bepaling voorzien in het wetboek waarin alle relevante uitzonderingen ten gunste van het onderwijs (reproducties op papier, digitale reproducties, mededeling in een gesloten netwerk) worden samengebracht. Aan deze bepaling zal één enkele vergoeding worden gekoppeld. Dit laat enerzijds een administratieve vereenvoudiging toe, en anderzijds ook een grotere juridische zekerheid voor de onderwijsinstellingen.

 

Bovenstaande wijzigingen zullen worden aangebracht in het Wetboek van Economisch Recht en vergen eveneens een aanpassing van de bepalingen die de vaststelling en de inning van de vergoeding voor reprografie regelen die vastgelegd werden in het koninklijk besluit van 30 oktober 1997. Dit koninklijk besluit wordt opgeheven en vervangen door twee nieuwe ontwerpen van koninklijk besluit, die de vergoeding op apparaten opheft en de vaststelling en de inning van de vergoeding op de kopieën regelt. De Koninklijke Besluiten reprografie auteurs en reprografie uitgevers, waarin de 50/50 split gewaarborgd blijft, werden reeds op 24 november 2016 goedgekeurd door de ministerraad en overgemaakt aan de Raad van State voor advies. Wat de onderwijssector betreft, regelen twee aparte Koninklijke Besluiten de vergoeding van auteurs en uitgevers, maar deze laten voorlopig nog op zich wachten.

 

Dit wetsontwerp houdt rekening met de juridische opmerkingen van het Hof van Justitie, maar heeft ook in de mate van het mogelijke willen voorzien in continuïteit. Uitgevers blijven vergoedingsgerechtigd onder de reprografie en de onderwijsuitzondering en de gelijke vergoeding tussen auteurs en uitgevers, een fundament van het collectief rechtenbeheer in de sector, werd eveneens gehandhaafd. Auteurs en uitgevers lijden immers in gelijke mate schade door de reproducties van auteursrechtelijke beschermde werken onder wettelijke licenties.  Anderzijds is het wel een gemiste kans dat dit wetsontwerp, in tegenstelling tot eerdere pogingen tot omzetting van de Richtlijn 2011/29 Informatiemaatschappij, het systeem van reprografie niet heeft uitgebreid naar de prints van beschermde werken, die in volume minstens even belangrijk zijn als de fotokopieën daarvan.  Een inning onder exclusief recht, zoals die vandaag de dag reeds geldt voor het digitaal hergebruik van krantenartikels (bv. verspreiding via e-mail/intranet/internet), dringt zich dan ook op voor wat betreft de prints.

 

 

 

PERSBERICHT REPROBEL: Auteurs en uitgevers treuren om het overlijden van Prof. Dr. Roger BlanpainLEES MEER


 
Copyright reform packageLEES MEER

Op 14 september 2016 hebben de Europese commissarissen Andrus Ansip en Günther Oettinger een voorstel van Richtlijn “Copyright in the digital single market” voorgesteld. Door de razendsnelle digitale ontwikkelingen drong een modernisering van het auteursrecht zich op dat is aangepast aan de 21ste eeuw. Dit voorstel dient vele vraagtekens op te lossen die reeds lange tijd aan de orde zijn in de mediasector aangezien de laatste Europese richtlijn inzake auteursrechten dateert van 2001 (Richtlijn 2001/29).

Dit voorstel van richtlijn voert een uitgeversrecht in voor persuitgevers dat hen het recht geeft op te treden tegen ongeautoriseerde online reproducties en mededelingen van perspublicaties en voorziet in een beschermingsduur van 20 jaar vanaf het tijdstip waarop de uitgave op een geoorloofde wijze toegankelijk is gemaakt. Hiermee erkent de Commissie de belangrijke rol van uitgevers in het medialandschap. Alle verdere informatie over het uitgeversrecht voor het digitaal hergebruik van perspublicaties, zoals omschreven in artikel 11 van de ontwerprichtlijn vindt u op: www.vlaamsenieuwsmedia.be/newsroom/2016/09/uitgevers-erkent-als-rechthebbenden-in-europa.

Een andere belangrijke bepaling is artikel 12, die rechtszekerheid dient te creëren naar aanleiding van het Reprobel/HP arrest van het Hof van Justitie van 12 november 2015.

Volgens de huidige Belgische regelgeving inzake auteursrecht is het toegelaten om onder bepaalde voorwaarden krantenartikels te fotokopiëren zonder toestemming van auteur of uitgever. Hiertegenover staat dat auteurs en uitgevers daarvoor een vergoeding moeten ontvangen, namelijk de reprografievergoeding.

Het Hof van Beroep te Brussel heeft eind 2013 verschillende prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie over de interpretatie van de Richtlijn 2001/29, zodoende meer duidelijkheid te scheppen over een aantal aspecten van de reprografieuitzondering, waaronder de rechtmatigheid van het uitgeversaandeel in de reprografievergoeding.

De Richtlijn 2001/29 erkent in het kader van enkele facultatieve uitzonderingen op het reproductierecht van de auteur, onder meer voor de reprografie, het recht op een billijke compensatie voor de “rechthebbenden”, zonder deze term verder te preciseren. De vraag werd nu gesteld of de uitgevers ook onder deze groep van rechthebbenden vallen aangezien zij volgens de Belgische wetgeving, samen met de auteurs, recht hebben op een vergoeding maar niet expliciet vermeld staan als rechthebbende in deze richtlijn.

Wat de rechthebbenden van de reprografievergoeding betreft, oordeelt het Hof dat de wet in de regel geen deel van de billijke vergoeding voor de auteurs (die wel expliciet als rechthebbenden staan omschreven in de richtlijn) mag toewijzen aan de uitgevers. Het Hof heeft wel uitdrukkelijk de mogelijkheid open gehouden voor de nationale wetgever om een afzonderlijke vergoeding voor uitgevers te voorzien – buiten de richtlijn om[1] - ter compensatie van het eigen nadeel dat die laatsten lijden door de reprografieuitzondering. Er wordt hierbij sterk de nadruk gelegd dat zo’n nationale vergoeding voor uitgevers in ieder geval geen afbreuk mag doen aan de billijke vergoeding voor de auteurs op grond van de richtlijn.

Om meer rechtszekerheid te creëren, wordt er nu in artikel 12 van de ontwerprichtlijn uitdrukkelijk voorzien hetgeen het Hof van Justitie reeds in zijn arrest heeft aangehaald, namelijk dat uitgevers ook een faire vergoeding kunnen opeisen in het geval van wettelijke licenties zoals de reprografie. Het artikel bepaalt dat:

“ Lidstaten kunnen voorzien, dat in geval een auteur aan een uitgever een recht heeft overgedragen of in licentie heeft gegeven, deze overdracht of licentie een voldoende wettelijke basis is voor een uitgever om een deel van de compensatie voor het gebruik van de werken onder een exceptie of beperking van het overgedragen of in licentie gegeven recht op te eisen.”

Op zich een positieve bepaling die de uitgevers naar waarde schat in de waardenketen, alhoewel het een pijnpunt blijft dat het de lidstaten enkel de mogelijkheid biedt en geen verplichting oplegt, waardoor lidstaten vrij zijn om te oordelen of uitgevers al dan niet mogen meedelen in de vergoedingen uit wettelijke licenties. Terwijl het klaar en duidelijk is dat uitgevers zware investeringen moeten doen met het oog op de exploitatie van hun publicaties en een groot deel van hun inkomsten mislopen wanneer hun publicaties onder een wettelijke uitzondering zoals de reprografie of thuiskopie worden gebruikt. Als een lidstaat beslist om de vergoeding onder de wettelijke licentie enkel toe te kennen aan auteurs, valt de uitgever tussen twee stoelen. Hij kan voor de geleden schade niet innen onder exclusief recht want de wettelijke licentie bestaat nog steeds en laat iedereen toe dergelijke kopieën te maken, hiervoor de verschuldigde vergoeding te betalen, maar met dat verschil dat de vergoeding enkel dient te worden uitgekeerd aan de auteurs.

[1] De Richtlijn 2001/29 laat dergelijke ruimte toe voor een “eigen recht” voor de uitgevers aangezien zij geen maximale harmonisatie beoogt met betrekking tot de reprografievergoeding en de lidstaten hierover nog een ruime beoordelingsmarge laat.