Hof van Justitie spreekt zich uit over framingLEES MEER

Het Europese Hof van Justitie heeft zich uitgesproken of framing al dan niet een mededeling aan het publiek inhoudt (C‑392/19). Een Duitse rechter stelde hierover een prejudiciële vraag aan het Hof. De digitale bibliotheek, SPK, had toestemming verkregen om op hun platform verschillende thumbnails ter beschikking te stellen aan hun publiek. De beheersvennootschap, VG Bild Kunst, stelde hiervoor een licentie op met de clausule dat er technische voorzieningen moeten worden genomen die  framing door derde partijen verhindert, wat SPK weigerde.

De Duitse rechter moest vervolgens oordelen of men kan spreken van mededeling aan het publiek, zoals vermeld in artikel 3 van de Richtlijn 2001/29, wanneer een auteursrechtelijk beschermd werk dat met toestemming van de rechthebbende beschikbaar is op een website, geëmbed wordt door middel van framing op een website van een derde wanneer daarbij de door de rechthebbende getroffen of opgelegde beschermingsmaatregelen tegen framing worden omzeild. De rechter oordeelde dat dit wel degelijk een nieuw publiek betrof aangezien het recht van mededeling anders zou uitgeput zijn van zodra het werk op een website staat, maar vroeg toch raad aan het Hof van Justitie.  He Hof bevestigde de uitspraak van de Duitse rechter.

Uit eerdere rechtspraak van het Hof van Justitie (Svensson, Bestwater en GS Media) volgde reeds dat er sprake is van een mededeling aan het publiek wanneer een link een auteursrechtelijk beschermd werk meedeelt aan een nieuw publiek, i.e. een publiek waar geen rekening mee werd gehouden toen de rechthebbende toestemming gaf voor de initiële publicatie van zijn werk. Het Hof gaat nu dieper in op de rol van technische beschermingsmaatregelen bij de eerste mededeling aan het publiek.

Indien een rechthebbende beperkende maatregelen instelt of oplegt om de toegang tot zijn auteursrechtelijk beschermd werk te beperken en de link ervoor zorgt dat de beperkende maatregelen (bv. om de toegang tot de website te beperken tot abonnees) worden omzeild, is er wel degelijk sprake van een nieuwe publiek waarvoor de toestemming van de rechthebbende is vereist. De verleende toestemming voor de oorspronkelijke mededeling aan het publiek is dan niet langer voldoende. Dit is het geval wanneer het werk niet meer beschikbaar is op de website waarop het werk oorspronkelijk stond of wanneer die website enkel beschikbaar is voor een beperkt publiek.

A contrario zou kunnen worden afgeleid dat indien een rechthebbende een auteursrechtelijk beschermd werk meedeelt aan het publiek zonder te voorzien in technische maatregelen die de toegang van het werk vanaf andere websites beperken,  de rechthebbende geacht  wordt toestemming te hebben verleend voor de mededeling van dat werk aan alle internetgebruikers. Een embedding van dat werk zou in dat geval dan geen nieuwe mededeling aan het publiek kunnen uitmaken.

Het Hof van Justitie stelt daarnaast ook dat aangezien de licentie van VG Bild Kunst expliciet de toegang beperkt voor andere websites, er niet kan worden uitgegaan dat de houder ingestemd heeft zijn werken vrijelijk aan het publiek mee te delen. Door technische voorzieningen te treffen, wordt dusdanig de wens geuit het publiek te beperken tot alleen de gebruikers van een bepaalde website en niet de gebruikers van de website waarop het werk via framing werd gepubliceerd.

Indien men zou stellen dat de houder van de rechten toch geacht wordt toestemming te geven voor alle websites, zelf wanneer hij beperkende maatregelen treft, druist dit in tegen het exclusieve en onuitputtelijke recht uit artikel 3 van Richtlijn 2001/29 en wordt de houder de mogelijkheid ontnomen een passende vergoeding voor het gebruik van zijn werk te eisen.

Het Hof van Justitie concludeerde dat wanneer een werk dat reeds met toestemming beschikbaar is op een website en via framing op een andere website, die vrij toegankelijk is, wordt geëmbed, een mededeling aan het publiek inhoudt wanneer hiermee de voorzieningen worden omzeild die de houder tegen framing heeft getroffen of opgelegd.

Framing kan in deze zaak dusdanig worden beschouwd als het beschikbaar stellen van de werken aan een nieuw publiek, waardoor bijkomende toestemming van de houder vereist is. VG Bild Kunst kan SPK verplichten de technische voorzieningen tegen framing  door derden te nemen.

Met dit arrest verschaft het Hof van Justitie de noodzakelijke duidelijkheid over de mogelijkheid voor rechthebbenden om links naar auteursrechtelijk beschermde werken te beperken, met inbegrip van de mogelijkheid voor de rechthebbenden om het linken contractueel te beperken (bv. het opleggen van technische maatregelen tegen framing door derden).

 

PERSBERICHT REPROBEL: Europese Commissie weigert ten onrechte Belgische reprografievergoeding te betalen aan uitgeversLEES MEER

Belgische rechthebbenden, vertegenwoordigd door de collectieve beheersorganisatie Reprobel, betreuren ten zeerste dat de Europese Commissie vanaf 2019 de Belgische reprografievergoeding ten voordele van de uitgevers weigert te betalen. De Commissie meent ten onrechte dat deze vergoeding een belasting zou zijn waarvan zijzelf en alle andere Europese instellingen (namelijk de Europese Raad en het Parlement, het Europees Comité van de regio’s en het Europees Economisch en Sociaal Comité) van zijn vrijgesteld.

De uitgeversvergoeding werd vanaf 2017 in het leven geroepen in de Belgische auteurswet, een rechtstreeks gevolg van de uitspraak van het Europese Hof van Justitie in de Hewlett-Packard België zaak van 12 november 2015 (C-572/13). De vergoeding heeft als doel uitgevers te compenseren voor de economische schade die zij lijden als gevolg van bedrijven en openbare instellingen die hun werken fotokopiëren onder het Belgische licentiekader. De uitgeversvergoeding – gebaseerd op de nationale copyrightwetgeving – bestaat naast de billijke vergoeding voor auteurs op basis van artikel 5.2a van de Copyright Richtlijn 2001/29.

Op vandaag gaat de Europese Commissie ermee akkoord om de Belgische reprografievergoeding voor auteurs te betalen en heeft ze tot 2018 aanvaard om de uitgeversvergoeding te betalen. Echter sinds 2019 weigert de Commissie de uitgevers te vergoeden. Hieruit kan men afleiden dat de Commissie de vergoeding die ze aan de Belgische uitgevers moet betalen, voor de schade die zij ondervinden als resultaat van de papieren reproductie van hun werken, ongepast vindt.

De bewering van de Commissie dat deze vergoeding een belasting zou zijn waarvoor zij is vrijgesteld onder Protocol 7, is in strijd met alle relevante rechtspraak van het Europese Hof van Justitie over wat als belasting wordt beschouwd. De Belgische uitgeversvergoeding is exact wat het zegt: een vergoeding geïnd door een privaat bedrijf (Reprobel) in het voordeel van gelijkaardige private bedrijven (uitgevers). Het is niet bedoeld om de Belgische staat of zijn publieke diensten te financieren, noch wordt het gebruikt voor soortgelijke zaken. Verder zijn zowel de reprografievergoeding voor auteurs als de uitgeversvergoeding gebaseerd op de actuele reproductie volumes en zijn daaraan proportioneel. Het niet vergoeden van uitgevers zou tevens een reeds delicaat ecosysteem schaden waar auteurs en uitgevers nauw verbonden zijn met elkaar en een soortgelijk economische schade ondervinden van hetzelfde grootschalige fenomeen.

Reprobel heeft over deze zaak juridisch advies ingewonnen en heeft hun mening met de Commissie gedeeld waar ze geconfronteerd werden met een hardnekkige ‘neen’. Reprobel – wiens leden exclusief organisaties omvatten van vertegenwoordigers van auteurs en/of uitgevers – heeft verder voorgesteld een onafhankelijk expert aan te stellen om een bindende opinie te verkrijgen inzake de niet-betaling aan uitgevers en of de vergoeding als belasting kan worden beschouwd. Opnieuw heeft de Commissie deze optie geweigerd.

Wat nog erger is, is dat het standpunt van de Europese Commissie in strijd is met de tekst van artikel 16 van de Digital Single Market Directive 2019/790, waarvan het een van de drijvende krachten was. Het is eveneens in strijd met de Soulier uitspraak van het Europese Hof van Justitie (C-301/15).

Het standpunt van de Commissie kan niet verantwoord worden door enige vorm van gezond verstand. Het is nog pijnvoller wanneer men de moeilijke situatie in acht neemt die COVID-19 heeft teweeg gebracht in de creatieve sector.

We kunnen aannemen dat het standpunt van de Commissie simpelweg geïnspireerd is door ongevoelige en kostenbesparende argumenten, terwijl de bedragen die op het spel staan de werking van de Europese instanties op Belgische grondgebied redelijkerwijs niet kunnen beïnvloeden.

We roepen de Europese Commissie dan ook op om hun standpunt te herzien en te erkennen dat de reprografievergoeding voor uitgevers duidelijk geen belasting is, dat deze perfect in lijn is met Europese wetgeving en dat deze cruciaal is om het duurzame ecosysteem voor uitgevers te behouden in België en in de EU. Daarnaast roepen we de leden van het Europees Parlement en de andere lidstaten op om deze zaak dringend aan te kaarten bij de Europese Commissie.

 

Voor meer informatie:  www.reprobel.be

Contact : Kurt Van Damme via kvd@reprobel.be of + 32 479 58 66 35

 

 

License2Publish past algemene voorwaarden aanLEES MEER

Vanwege de verplaatsing van de maatschappelijke zetel op 5 oktober 2020 heeft License2Publish haar algemene voorwaarden aangepast. U kan deze raadplegen via https://www.license2publish.be/algemene-voorwaarden

Gezamenlijke mailing Copiepresse - License2Publish - RepropressLEES MEER

Heeft u de gezamenlijke mailing Copiepresse - License2Publish - Repropress ontvangen en wenst u het formulier op papier in te vullen?

Download hier het aangifteformulier en hier in geval u een Public Relations onderneming bent.

Het Hof van Justitie & YouTubeLEES MEER

YouTube en Google hoeven geen e-mail- en IP-adressen te verstrekken

Het Duitse film productie- en distributiebedrijf Constantin Film Verleih heeft ongelijk gekregen voor het Europees Hof van Justitie. Het productiehuis eiste van YouTube en Google de persoonlijke gegevens van enkele van hun gebruikers nadat zij zonder toestemming hun films online geüpload hadden. Constantin Film wenste de namen en adressen van deze personen te verkrijgen, alsook hun e-mailadressen, telefoonnummers, IP-adressen, het exacte moment waarop de bestanden werden geüpload en het IP-adres waarmee ze het laatst toegang kregen met hun Google-account tot YouTube.

Hoewel het verzoek van Constantin Film in eerste aanleg afgewezen werd, werd het in hoger beroep gedeeltelijk ingewilligd en werd YouTube verplicht de e-mailadressen te verstrekken. Het productiehuis wou echter nog steeds de telefoonnummers en de IP-adressen van de betrokken gebruikers. Het Duitse Bundesgerichtshof stelde het Europees Hof van Justitie dan ook de vraag of het woord “adressen” zoals vermeld in artikel 8, lid 2, onder a) van de Europese richtlijn 2004/48 betreffende de handhaving van intellectuele eigendomsrechten, het e-mailadres, telefoonnummer en IP-adres omvat.

Het Hof van Justitie is van oordeel dat het begrip “adres” enkel het postadres omvat, namelijk de woon- of verblijfplaats, en dat het e-mailadres, telefoonnummer en het IP-adres hier niet onder vallen (Constantin Film Verleih v YouTube LLC en Google Inc , C-264/19). De Europese richtlijn voorziet wel de mogelijkheid voor lidstaten om hierover zelf een regelgeving te voorzien zodat dergelijke gegevens wel verplicht verstrekt moeten worden in een gerechtelijke procedure. YouTube en Google kunnen dus enkel verplicht worden het postadres van hun gebruikers te verstrekken, maar niet het e-mailadres, telefoonnummer of IP-adres.

Aansprakelijkheid YouTube

Er loopt momenteel een zaak bij het Hof van Justitie met de vraag of een videoplatform zoals YouTube kan beschouwd worden als inbreukmaker aangezien er illegale video’s op hun platform gepost worden en daardoor aansprakelijk kan gesteld worden (C-682/18 en C-683/18). Een platform geniet van een vrijstelling van aansprakelijkheid volgens artikel 14 van de Europese richtlijn 2000/31 inzake elektronische handel. In deze zaak stelt men echter dat YouTube zodanige handelingen verricht dat ze gekwalificeerd worden als “mededelingen aan het publiek”, waardoor ze niet onder deze vrijstelling zouden vallen. YouTube verwerft reclame-inkomsten van de illegale video, de gebruiker verkrijgt via de gebruiksvoorwaarden een wereldwijde, niet-exclusieve en kosteloze licentie en YouTube stelt hulpmiddelen ter beschikking waarbij rechthebbenden inbreukmakende video’s kunnen blokkeren.  

Hoewel er nog geen uitspraak is in deze zaak, is het advies van de advocaat-generaal duidelijk. Volgens hem kunnen de handelingen van YouTube niet beschouwd worden als “mededelingen aan het publiek”, waardoor het videoplatform niet rechtstreeks aansprakelijk kan gesteld worden. De advocaat-generaal beschouwt platformen als tussenpersonen en ziet hun rol als het verstrekken van fysieke middelen, namelijk het ter beschikking stellen van het platform. Platformen kunnen wel subsidiair aansprakelijk gesteld worden door de burgerlijke aansprakelijkheidsregels van de lidstaten zelf.

Hoewel het dus afwachten is naar de uitspraak in deze zaak, moet wel vermeld worden dat de Europese richtlijn 2019/790 inzake auteursrechten en naburige rechten in de digitale eengemaakte markt hierop nog niet van toepassing is. Artikel 17 van deze richtlijn focust zich namelijk op de aansprakelijkheid van online diensten. Deze richtlijn moet door de lidstaten omgezet worden uiterlijk 7 juni 2021.